Dr. Bram Brouwer

Onafhankelijk waarheidszoeker en om- en tegendenker

     De door wielrenner Scarponi beroemd geworden papegaai Franky is bij een ongeval gewond geraakt. |     NIEUW: Dossier corona, met feiten en fakenieuws rond corona. |     Binnenkort verhuist de De Doping Academy website naar een sub-website van deze site. |     Om de waarheid te vinden, moeten we blijven twijfelen. |
nl NL en EN
(Leestijd: 3 - 6 minuten)
[174]

Home | Terug


Jorien ter Mors 200jpg


Jorien ter Mors

Verbazing alom als shorttrackster Jorien ter Mors bij het NK-langebaan 2013 de Nederlandse schaatssters een lesje geeft. De Enschedese won drie van de vier afstanden, terwijl ze op de 500 meter slechts vierhonderdste seconde tekort kwam voor de winst. Zelfs op de 5000 meter, die ze nooit eerder reed, troefde ze Olympische en wereldkampioenen moeiteloos af. Een ontwikkeling die ik met een glimlach en een gevoel van "zie je wel" aanzag. Ik leg uit waar dat gevoel kwam.

In 1967 deed ik mee aan het NK-wielrennen op het Adsteegcircuit in het Limburgse Beek. Ik kreeg daar vlak voor de start gigantisch op mijn kop van onze ploegleider. Mijn 'misdaad': ik had lopend mijn rugnummer opgehaald bij de enkele honderden meters verderop gelegen permanance. Hoe ik het in mijn hoofd haalde om vlak voor de start van het NK zo ver te lopen.

Ik was nog nooit zo de les gelezen, voor mijn gevoel onterecht. Op de schaatstraining – twee keer per week – deden we twee uur lang immers niets anders dan hardlopen, schaatsoefeningen, e.d. Hoe zou dit stukje rustig lopen dan slecht zijn voor mijn fietsen. Ik begreep daar niets van.

Door die enorme uitbrander was ik als jonge net beginnende renner in het eerste deel van de wedstrijd volkomen van slag en in de eerste beklimming van de Adsteeg moest ik al lossen uit het peloton. Alleen voortploeterend, moest ik enkele ronden later de wedstrijd op last van de jury verlaten.

Voor onze ploegleider was dit hét bewijs van zijn gelijk. Een schoolvoorbeeld van een zelfbevestigende voorspelling. Immers niet het lopen, maar de uitbrander was de oorzaak van mijn slechte optreden (al weet ik natuurlijk niet hoe het anders gegaan was).

Ook zwemmen werd destijds als doodzonde voor wielrenners gezien. Ook één keer zwemmen kon het hele seizoen doen mislukken (in wielertermen 'naar de kl..ten helpen'). Omdat zwemmen nooit mijn favoriete activiteit was, heb ik van dat vooroordeel nooit last gehad.

Terug naar het schaatsen. Als ondertussen gediplomeerd schaatstrainer volgde ik in 1981, samen met collega trainer Willem Visser, een cursus krachttraining bij de NSF (toen nog niet gefuseerd met het NOC). Naast trainers uit ander sporten, hadden vooral veel schaatstrainers belangstelling voor deze cursus.

In de pauzes van de bijeenkomsten ontstond een hevig, steeds terugkomend, dispuut met collega schaatstrainers over fietsen. Zij waren vrijwel unaniem van mening dat fietsen geen goede zomertraining was voor schaatsers. Een standpunt dat ik sterk betwiste.

Om hun visie te ondersteunen gebruikten mijn collega trainers allerhande argumenten. De cyclusfrequentie bij fietsen is hoger, het optimum in de krachtsontwikkeling ligt anders, de kniehoeken verschillen, et cetera. Tijdens een van de pauzes kwam een van de schaatstrainers met het echte argument, dat door vrijwel al zijn collega's werd ondersteund. Schaatsers die zomers fietsten konden dat wel eens leuker gaan vinden dan schaatsen en dan zouden zij die pupillen kwijt zijn. Een dubbele agenda dus.


Trainers moeten het met hun pupil bespreken als ze denken dat die in een andere sport mogelijk beter tot zijn recht komt


Volgens mij moeten trainers het met hun pupil bespreken als ze denken dat die in een andere sport mogelijk beter tot zijn recht komt. Als ze dat niet doen – om geen pupil kwijt te raken – is dat slechts in hun eigen belang en niet in dat van die pupil en het belang van de pupil moet volgens mij altijd voorop staan.

Als schaatstrainer had ik een pupil die op de trainingen altijd enthousiaste verhaalde over zijn succesvolle loopactiviteiten, terwijl hij als schaatser niet zo goed uit de verf kwam. Ik heb hem in overweging gegeven zich op de loopsport te richten, maar ook gezegd dat hij op mijn trainingen altijd welkom bleef. Hij volgde mijn advies op en ontwikkelde zich tot een regionale toploper. Waarschijnlijk had hij dat niveau als schaatser nooit bereikt.

In dezelfde tijd ontwikkelde het marathonschaatsen zich tot een serieuze sport. Vrijwel alle langebaan trainers raden hun pupillen destijds af om aan marathons deel te nemen. Dat zou hun slag aantasten en daarmee hun hun prestaties op de langebaan. Volgens mij was dat onzin.

Een in vele uren ingeslepen langebaanslag ben je niet in één marathon kwijt. En, als die slag toch enigszins aangetast is, is dat met twee rondjes inrijden weer verdwenen.

Deze controverse leidde tot heftige discussies met mijn collega trainers. Ik adviseerde mijn pupillen namelijk wel om, als ze dat wilden, aan marathons mee te doen. Mijn collega trainers kregen daardoor problemen met hun pupillen die ook graag marathons wilden rijden. Die Marathons verbreden namelijk het voor regionale schaatsers vrij beperkte wedstrijdaanbod aanzienlijk en die trainden immers om wedstrijden te rijden.

De triatlon heeft ondertussen duidelijk gemaakt dat zwemmen, lopen en fietsen elkaar helemaal niet bijten. Fietsen is als tegenwoordig als onverbrekelijk element in de zomertraining van het schaatsers geïntegreerd en de maratonneurs van Jildert Anema domineren de vijf en tien kilometer op de langebaan. En, nu blijkt zelf shorttrack een uitstekende voorbereiding te zijn voor het langebaanschaatsen. Mag ik dan met een glimlach een beetje "zie je wel" gevoel krijgen.

Afsluitend twee opmerkingen.

1. Wielrenners die nooit hardlopen, maar dat plotseling wel gaan doen forceren spieren die ze anders nooit gebruiken. Dat verstoort hun voor wielrennen uiterst belangrijke coördinatie (souplesse). En, hoewel ik daar geen ervaring mee heb, geldt dat voor plotseling zwemmen of een andere sport waarschijnlijk ook. Maar wielrenners die regelmatig (hard)lopen of zwemmen, et cetera, zullen daar geen last van hebben. Ook niet als zij dat vlak voor een wedstrijd doen.
2. Ik beweer niet dat iedere marathonschaatser of shorttrackster (of welke sporter dan ook) automatisch ook een goede lange baanschaatser is. Ik wil slechts zeggen dat trainers (en niet alleen schaatstrainers) minder krampachtig moeten doen als hun pupillen zich ook in een andere sport(discipline) willen bekwamen. Het maakt ze veelzijdiger, waarmee hun kans op goede prestaties toeneemt. En de afwisseling maakt de training leuker en mentaal minder belastend. Maar let wel op voor overbelasting.

***

Copyright © 2006-2020 - Bram Brouwer - All Rights Reserved