Doping Academy

Onafhankelijk kennis- en informatiecentrum doping

     De columns van de Doping Academy verhuizen naar deze plaats. |      De nog niet verhuisde columns van de Doping Academy vindt u hier. |
nl NL en EN
(Leestijd: 6 - 12 minuten)

[175]

DA-Home | Terug

Armstrong 221px
Lance Armstrong

In het onderzoek naar vermeend dopinggebruik door zevenvoudig Tour de France Winnaar Lance Armstrong hebben drie oud-collega's van de Amerikaan een getuigenverklaring afgelegd. Volgens drievoudig oud-Tour winnaar Greg LeMond, gediskwalificeerd oud-Tourwinnaar Floyd Landis en oud-ploeggenoot Tyler Hamilton gebruikte de Amerikaan epo bij zijn eerste Tourwinst in 1999.[6, 9, 10, 19]

Betrouwbaarheid herinneringen

Dat gebruik was volgens de getuigen normaal, dat deed iedereen. De vraag is dan: hoe betrouwbaar zijn herinneringen van als normaal ervaren situaties twaalf jaar later? En, spelen er meer zaken die de betrouwbaarheid van de getuigen beïnvloeden? In deze column probeer deze vragen te beantwoorden.

Om de betrouwbaarheid en daarmee de bewijskracht van de getuigenverklaringen in de Armstrong-casus te beoordelen, moeten we een aantal vragen beantwoorden. Maar daarvoor moeten we eerst kort enkele (rechts)psychologische aspecten behandelen die hier een rol bij spelen. Ik baseer me hierbij vooral op het werk van de wereldwijd erkende geheugendeskundige professor Willem Wagenaar en zijn collega's.[16, 22-24]

Updating geheugen

Het eerste probleem is dat, in tegenstelling tot wat wij en met name juristen vaak denken, het menselijk geheugen slecht is toegerust om situaties uit het verleden exact te beschrijven. Vooral in juridische kringen wordt vaak aangenomen dat wij ons situaties uit het verleden exact kunnen herinneren. Dat is onjuist en de kans dat een herinnering (deels) onjuist is neemt toe met de ouderdom van die herinnering.

Het humane geheugen is bedoeld om een representatie te geven van de wereld zoals die ons nu omringt en omdat die wereld voortdurend verandert, moet ons geheugen zich constant aan nieuwe situaties aanpassen. Daarbij integreert ze nieuwe informatie met oude en gooit verouderde en overbodige informatie weg (vergeten). Als u uw sleutels zoekt, moet u weten waar ze nu liggen. Weten waar u uw sleutels vorige week lagen, is overbodig. Daar liggen ze niet meer.

Vergeten van niet (meer) relevante informatie in normale situaties is een belangrijke geheugenfunctie en zorgt ervoor dat ons geheugen niet overbelast raakt. Weinigen weten nog wat ze vorige week woensdag aten, tenzij ze een etentje hadden vanwege de bruiloft van hun dochter. Dan is het eten gekoppeld aan een bijzondere gebeurtenis en die combinatie wordt wel onthouden. Samengevat: ons geheugen is voortdurend bezig haar inhoud aan te passen: we spreken dan ook over het updating-geheugen.

Aanpassing achteraf

Een tweede probleem is dat herinneringen niet alleen bestaan uit onze authentieke waarneming, maar ook uit allerlei informatie die we later tegenkwamen en die bij onze herinnering paste. Dus informatie uit kranten, radio, Tv, internet, gesprekken met anderen, enzovoort. Zelfs nadenken over een herinnering pas die herinnering aan. Al die informatie wordt met de oorspronkelijke herinnering geïntegreerd. Dat noemen we misleading post-event information (misleidende informatie achteraf).

Onze herinnering is dan geen authentieke herinnering meer, maar een constructie van informatie uit een veelheid van bronnen. Vervolgens zijn we ons niet meer bewust van de bronnen waaruit we die informatie verkregen (source awareness). Het is voor ons geheugen namelijk onbelangrijk hoe u weet waar uw sleutels liggen, als u maar weet waar ze liggen. Een herinnering, die feitelijk uit vele bronnen afkomstig is, ervaren we dan als één authentieke herinnering voortgekomen uit onze eigen waarneming. Naar gelang de tijd verstrijkt staat die herinnering steeds verder van de werkelijkheid af en wordt het steeds meer een pseudoherinnering.

Fabuleren

Een derde reden dat ons geheugen niet zo betrouwbaar is als we vaak denken komt doordat het altijd een coherente verhaallijn in onze herinneringen wil aanbrengen. In werkelijkheid zitten er echter enorme gaten tussen de verschillende elementen van onze herinneringen. Om die coherente verhaallijn toch te realiseren, verzint ons geheugen onbewust 'feiten' om die gaten op te vullen, terwijl wij die fabulaties als authentieke herinneringen ervaren. En omdat de gaten in onze herinneringen groter worden naar gelang de tijd verstrijkt, worden het steeds sterker pseudoherinneringen.

Collaborative storytelling

Een vierde vertekening bij getuigenverklaringen kan ontstaan door collaborative storytelling[22-24], gedefinieerd als een cumulatief proces van wederzijdse bekrachtiging van ideeën, die tussen mensen ontstaat bij de interpretatie van ambivalente informatie [24, p. 166].

Dit fenomeen is gefundeerd in drie erkende psychologische theorieën: ten eerste de sociale vergelijkingstheorie[17] die zegt dat mensen zich onderling vergelijken en ten tweede de conformation theory[12, 13] die aangeeft dat mensen in die vergelijking geneigd zijn hun opvattingen op elkaar af te stemmen (conformeren). Daarbij versterkt de opvatting in de richting van de initiële opvatting: vindt iemand roken minder ongezond dan wordt beweerd, dan vindt men dat na conformatie nog sterker. Als derde speelt bevestigingsvertekening (confirmation bias) een rol. Dat is de neiging van mensen om informatie die niet binnen hun opvatting valt te negeren, minder serieus te nemen, als onjuist te interpreteren of zo te verdraaien dat ze toch binnen de opvatting valt


Bevestigingsvertekening
De neiging van mensen om informatie die niet binnen hun opvatting valt te negeren, te bagatelliseren of omgekeerd te interpreteren


De kracht van collaborative storytelling bleek bij een spraakmakende kwestie op een Drentse basis school. In juni 1997 bleken enkele oudere leerlingen kleuters misbruikt te hebben[1]. Vanwege hun jeugdige leeftijd werden ze niet vervolgd. De zaak leek gesloten. In oktober echter kwamen ouders met nieuwe beschuldigingen, nu naar leerkrachten. De wildste verhalen gingen rond, bijvoorbeeld over misbruik in de kelder van de school en er zouden naaktfoto's van kinderen op de schoolcomputer staan[4, 5, 18]. De politie vond echter geen kelder en de computer bevatte geen foute foto's.

TNO-onderzoek wees uit dat er nooit een kelder onder de school was geweest. Het overtuigde niet (bevestigingsvertekening), ouders gingen zelf graven[3]. Drie jaar later kwamen er nieuwe beschuldigingen. Internetfoto's 'bewezen' het misbruik van meisjes uit het dorp. Hoewel de politie aantoonde dat die foto's uit Amerika kwamen, werd toch aangifte gedaan[2, 3, 14]. Nu, bijna vijftien jaar nadien, geloven sommigen nog in het misbruik door de leerkrachten[23]. Het dorp was langdurig verdeeld en leerkrachten moesten elders werk zoeken.

De situatie ontstond doordat ouders (en kinderen) samen (sociale vergelijking) een verhaal construeerden, waarin ze 'de feiten' in gesprekken op elkaar afstemden (conformeren). De overtuiging werd steeds extremer en sterker en stond niet meer ter discussie. Hoewel collaborative storytelling bij kindermisbruik is ontdekt, is het een breed groepsdynamisch proces dat we vaak terugzien in de samenleving, onder andere bij dopingkwesties[15].

 

De vragen over de getuigenverklaringen

Na deze bespreking van belangrijke psychologische theorieën die getuigenverklaringen kunnen beïnvloeden formuleer ik een aantal vragen over die verklaringen in de Armstrong case. Per vraag (gecursiveerd) geef ik een korte toelichting, verwijzend naar de theorie. Voor het beoordelen van de bewijskracht van de getuigenverklaringen moet iedere vraag objectief beantwoord worden.

Vraag 1: waarom is de herinnering aan Armstrongs dopinggebruik na twaalf jaar nog zo sterk?
Volgens de getuigen was dopinggebruik in de periode waarover ze verklaren normaal, iedereen deed het. Volgens de updatingtheorie is het dan onwaarschijnlijk dat ze twaalf jaar later Armstrongs dopinggebruik nog expliciet kunnen herinneren, tenzij Armstrong destijds een bijzonderheid was. Bijvoorbeeld: de enige niet-gebruiker. Misleading post-event information door publicaties over vermeend gebruik door de Amerikaan[o.a. 21]) kan het niet-gebruiken van Armstrong gemakkelijk vervangen door de pseudoherinnering dat hij wel gebruikte. Door source awareness ervaren we onze herinnering dan als authentiek.

Vraag 2: weten de getuigen zeker dat ze Armstrong doping zagen gebruiken?
Deze vraag sluit aan bij de vorige. Niet alleen dopinggebruik was destijds normaal, Armstrong ook. Hij was nog niet de topper, die hij later zou worden. Integendeel. Hij was een twijfelgeval, terugkomend van een ernstige ziekte. Geen renner om direct serieus te nemen. De updatingtheorie maakt het dan opnieuw onwaarschijnlijk dat men Armstrongs gebruik nog expliciet herinnerd. Mogelijk herinneren zij iemand die gebruikte en werd dat via misleading post-event information en source awareness Armstrong.

Vraag 3: gebruikte iedereen destijds doping, of veronderstellen de getuigen dat?
We kunnen niet meer achterhalen of iedereen destijds gebruikte of dat dit slechts de overtuiging van de getuigen is (collaborative storytelling). Die herinnering kan vertekend zijn door de vele publicaties die destijds beweerden dat alle renners gebruiken (misleading post-event information), zonder dat we nog weten waar die vertekening vandaan komt (source awareness). Dan ontstaat al snel de onbewuste redenering: iedereen gebruikte, dus gebruikte Armstrong ook.

Vraag 4: zijn de getuigen onafhankelijk?
Drie getuigenverklaringen kunnen sterk bewijs leveren, mits ze onafhankelijk zijn. We noemen dat de diagnostische waarde van de getuigenverklaringen.

Onafhankelijk wil zeggen dat iedere verklaring is gebaseerd op de persoonlijke en oorspronkelijke waarneming van de individuele getuige, zonder interferenties achteraf. Ofwel: de getuigen mogen nooit met elkaar over de zaak gesproken hebben (conformeren) en de verklaringen mogen niet naar gelijkheid convergeren door misleading post-event information bijvoorbeeld door kantenpublicaties. Deze vertekeningen spelen hier zeker een rol, zodat de getuigen niet als onafhankelijk gezien kunnen worden en dat tast de diagnostische waarde van hun verklaringen ernstig aan en reduceert ze tot onbruikbaar.

Vraag 5: is er naar getuigen á decharge voor Armstrong gezocht?
Naast beschuldigende (á charge) getuigen moet naar ontlastende (á decharge) getuigen worden gezocht. Stel er zijn drie verklaringen á charge en zes á decharge. Dan staat de beschuldiging zwak. Het alleen presenteren van getuigen á charge getuigt niet van waarheidsvinding, maar van coûte que coûte willen veroordelen. Dat noemen we selectieve bewijsvoering.

De antwoorden op de vragen beoordeeld

De antwoorden op bovenstaande vragen (niet uitputtend) zijn cruciaal voor het beoordelen van de getuigenverklaringen. Op de eerste drie vragen lijkt een plausibel antwoord twaalf jaar na dato vrijwel onmogelijk. Bij vraag 4 wordt aan geen van de gestelde voorwaarden voldaan. De verklaringen worden in de pers breed uitgemeten en er is veel over Armstrongs vermeende gebruik gepubliceerd. Slechts vraag 5 kan nog een antwoord leveren, als tenminste naar getuigen á decharge wordt gezocht. Maar dat kan slechts in het voordeel van Armstrong uitpakken. Kortom, op basis van de antwoorden moeten we constateren dat de getuigenverklaringen in de Armstrong case erg zwak zijn

Tot hier ging het over onbewuste beïnvloeding van herinneringen. In de Armstrong case is echter de vraag gerechtvaardigd of wraak en/of jaloezie mogelijk tot bewust onjuist verklaren leidt? LeMond en Armstrong worden in de pers als gezworen vijanden geportretteerd[9] en dat lijkt niet gespeeld. Volgens LeMond heeft Armstrong de bekentenissen zelf in de hand gewerkt, door zijn voormalige ploeggenoot te beschimpen[19]. Landis zegt dat Armstrong het met de Internationale wielerbond (UCI) op een akkoordje gooide, na een positieve dopingtest. Zelf werd hij na een positieve test zijn Tourzege ontnomen en geschorst[8]. Landis bewijst zijn stelling vooralsnog niet. Verbruggen – toenmalig UCI-voorzitter – ontkent de aantijging, maar wordt door Landis weer "een oude man" genoemd, "die lijdt aan waanideeën"[20]. Na een confrontatie tussen Armstrong en Hammilton in een restaurant, doet laatstgenoemde aangifte van bedreiging. Volgens de restaurateur was er slechts een woordenwisseling[7, 11].

Samengevat: deze zeer onfrisse situatie van wederzijdse aantijgingen zonder bewijs, is volstrekt ongeschikt om objectieve getuigenverklaringen te krijgen en dat maakt die verklaringen onbetrouwbaar en dus waardeloos. Daar staat echter zeer sterk fysieke bewijs tegenover: de vele negatieve dopingtests van Armstrong gedurende zijn carrière.

Tot slot: ik oordeel niet of Armstrong doping gebruikte. Ten eerste weet ik dat niet en ten tweede is oordelen over mensen niet mijn vak als psycholoog. Ik beoordeel slechts de kwaliteit van het bewijs, hier de getuigenverklaringen. Het beoordelen van mensen laat ik over aan juristen en aan u als lezer.

Gebruikte literatuur

1. NvhN (1997, June 27). Misbruik kleuters op basisschool. Nieuwsblad van het Noorden.
2. NvhN (1997, November 27). Ouders De Dreef handelden uit bezorgdheid. Nieuwsblad van het Noorden.
3. NvhN (1997, december 3). Ouders graven naar hun eigen ongelijk. Nieuwsblad van het Noorden.
4. NvhN (1997, oktober 24). PC's in beslag tijdens onderzoek ontucht op school. Nieuwsblad van het Noorden.
5. NvhN (1997, oktober 23). Weer onrust op school na aangiftes van ontucht. Nieuwsblad van het Noorden.
6. NvhN (2010, july 19). LeMond gevraagd als getuige in de zaak Lance Armstrong. NRC.
7. NvhN (2011, june 14). Armstrong bedreigt Hamilton in restaurant. De Telegraaf
8. NvhN (2011, may 24). FLOYD LANDIS: bracht zaak Armstrong aan het rollen. Volkskrant.
9. NvhN (2011, may 24). Greg Lemond: 'Zijn tourzege van 99 is grootste fraude'. Volkskrant.
10. NvhN (2011, may 24). Tyler Hamilton:'Ik zag het in zijn koelkast'. Volkskrant.
11. NAP (2011, june 14). Armstrong bedreigde oud-collega Hamilton. NRC.
12. Asch, S. E. (1955). Opinions and Social Pressure. Scientific American, 193, 31-35.
13. Asch, S. E. (1956). Studies of independence and conformaty: I minority of against a unanimius majoraty. Psychological Monographs 70[9], gehele nummer 416.
14. Bootsgezel, M. (2000, june 28). Affaire-De Dreef een niet te blussen veenbrand. Nieuwsblad van het Noorden.
15. Brouwer, B., Lodewijkx, H. F. M., & Kuipers, H. (2009). Dopingbekentenis langs de wetenschappelijke meetlat. Sportpsychologie Bulletin, 20, 24-37.
16. Crombag, H., Koppen, P. J. v., & Wagenaar, W. A. (1992). Dubieuze zaken: De psychologie van strafrechtelijk bewijs. Amsterdam: Olympus.
17. Festinger, L. (1954). A theory of social comparison processes. Human relations, 7, 114-140.
18. GPD (1997, oktober 22). Leraren Drentse school beticht van misbruik. Leeuwarder Courant.
19. Misérus, M. (2010, july 19). LeMond: ook in rechtzaal is val Armstrong nabij. Volkskrant.
20. Misérus, M. (2011, february 22). Landis: Hein Verbruggen lijdt aan waanideeën. Volkrant magazine.
21. Shen, A. (2009). So ther is no doubt in my mind he (Lance Armstrong) took EPO during the 99 Tour. http://nyvelocity.com/content/interviews/2009/michael-ashenden.
22. Wagenaar, W. A. (2006). Vincent plast op de grond: nachtmerries in het Nederlandse recht. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker.
23. Wagenaar, W. A. (2007). Psychologie in de rechtzaal. (hoorcollege op CD). Den Haag, Home Academy.
24. Wagenaar, W. A. & Crombag, H. (2005). The Popular Policeman and Other Cases; psychological Perspectieves on legal Evidence. Amsterdam: Amsterdam University Press.

***

Copyright © 2006-2020 - Bram Brouwer - All Rights Reserved